|
|
|
|
| 4 september 2011 - drie-entwintigste zondag |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
Lezingen:
Ezechiël 33,7-9
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
In een christelijke gemeenschap (ekklèsia in het Grieks: 'gemeenschap van hen die samengeroepen zijn') zijn allen broeders en zusters van elkaar. De brief van Paulus aan de Romeinen begroet de christenen als 'u allen die God heeft geroepen om zijn heilige gemeente te zijn'. Maar niet allen in de gemeente zijn niet even heilig. Tussen broers en zusters is alles niet koek en ei. Er zijn broers en zusters die zich misdragen. Achter hun rug wordt kwaad over hen gesproken. Wat doe je als over een van je broeders niet zonder redenen wordt geroddeld? Je kunt er je volledig buiten houden. Maar dan schiet je te kort in broederliefde. Het evangelie schrijft voor: laat je broeder niet aan zijn lot over. Zoek hem op en vertel het hem onder vier ogen. Als hij zegt dat hij een zuiver geweten heeft, weet je dat hij liegt en je zegt het hem ook. Houdt hij zijn onschuld vol, haal er dan enkele broeders bij die jouw bewering staven. Wijs hem terecht, doe hem schuld bekennen en probeer hem tot inkeer te brengen. Dan kun je het hem vergeven en heb je hem voor de gemeenschap behouden, zegt het evangelie. Wat doe je met iemand die je onrecht heeft gedaan? Een goede advocaat zal je afraden direct naar de rechter te stappen. Ga liever naar hem toe, probeer het uit te praten en tot een minnelijke schikking te komen. Dat is veel minder omslachtig, veel efficiënter en je spaart veel geld uit. Naar de rechter stappen heet in het evangelie een zaak voorleggen aan het oordeel van de verzamelde gemeenschap. Het is de laatste stap. Als de beklaagde koppig tegen de evidentie in onschuldig blijft pleiten, plaatst hij zichzelf buiten de gemeenschap. Hij wordt behandeld zoals men een heiden of tollenaar behandelt. Dit lijkt veel erger dan het is. We weten hoe Jezus omging met tollenaars en zondaars. Hij pleitte hen niet vrij van schuld, maar schuwde hun gezelschap niet, wel integendeel. Een broeder die door eigen schuld de gemeenschap moet weggaan, laat je daarom nog niet vallen. Iemand die uit de gemeenschap is weggehaald en in de gevangenis gestopt (verstopt), mag je niet in de vergeetput laten vallen. De gevangenen bezoeken is een werk van barmhartigheid. Je moet het niet doen uit mededogen, maar om naar hen te luisteren en onbevooroordeeld in hun verhaal mee te stappen. Je kunt hen helpen om met hun verleden in het reine te komen. Zo kan het gebeuren dat je een broeder voor de gemeenschap behoudt. Jezus verzekerde dat Hij in hun midden is als twee of
meer mensen in zijn naam samen zijn. We kunnen in Jezus' naam samenkomen om elkaar al biddend vergiffenis te vragen en te schenken voor wat we verkeerd hebben gedaan. We kunnen samen bidden en zingen, we kunnen Gods woord in de Schrift beluisteren en bespreken. We kunnen gaven meebrengen, we kunnen ze offeren door er een zegen over uit te spreken. We kunnen die gaven met elkaar delen, we kunnen ze bestemmen om uitgedeeld te worden aan anderen die er nood aan hebben.* Jezus verzekerde dat in de hemel wordt bezegeld wat wij op aarde binden en ontbinden. Dat is straffe taal. We kunnen God dwingen! Een menselijke schuld is pas echt vergeven als God ze vergeeft. Maar zonder ons wordt zijn vergeving niet effectief, mensen voelen de vergiffenis niet. Als we een broeder of zuster zijn of haar schuld niet vergeven, zetten we Gods barmhartigheid schaakmat. Maar we roepen dan ook zijn oordeel over ons af als we in het Onzevader bidden 'vergeef ons onze schulden zoals wij anderen hun schuld vergeven'. Laten we alles doen om te voorkomen dat we het Onzevader niet meer durven bidden. B.J. De Clercq o.p. * Ontleend aan een preek in het Dominicushuis: http://dominicanen.be/dh9juni.htm |